Cosa nostra ontstond in de beginjaren van de 19e eeuw uit de sociale klasse van de "massari", de "fattori" (rentmeesters) en de "gabellotti" (geldhouders) die het dagelijks beheer hadden over de landgoederen van de Siciliaanse adel, en de "braccianti" dagloners die er werkten. Het waren gewelddadige mensen, die de schakel vormden tussen de laatste feodale eigenaars en de laatste horigen in Europa: en om hun métier beter uit te kunnen oefenen omgaven zij zich met "scagnozzi": ingehuurde en omgekochte trawanten, een soort lijfwachten. Deze groepen werden snel permanent en werden sektes, broederschappen of bendes genoemd. Het eerste document waarin melding wordt gemaakt van een maffiabende dateert van 1837, waarin Pietro Calà Ulloa, de "procuratore generale" van Trapani, aan zijn superieuren in Napels melding maakt van de activiteiten van vreemde sektes die zich toeleggen op misdadige bedrijven die ook ambtenaren corrumpeerden. De uitdrukking [Maffia] kwam vanaf 1863 in zwang door het succesvolle Siciliaanstalige toneelstuk I mafiusi di la Vicaria van Giuseppe Rizzotto en Gaetano Mosca, dat in het Italiaans, Napolitaans en Milanees werd vertaald, zodat het begrip over heel Italië werd verspreid. De maffia was dus een entiteit buiten de staat, maar wel nauw ermee verbonden.
Doordat Sicilië vanaf 1860 deel ging uitmaken van het unitaire Italië werd het reeds ingezette proces van de ontmanteling van de op het platteland nog bestaande feodale structuur versneld. Dit gebeurde toen de Sicilaanse economie werd geïntegreerd in die van de rest van het land. Bovendien nam de Piemontese regering de plaats in van de Bourbons, zonder dat zij er echter in slaagde een goede verhouding met de Siciliaanse maatschappelijke structuur te verkrijgen.
Dit was de noodzaak voor de grootgrondbezitters van het binnenland om zich aan de hulp van iemand toe te vertrouwen die hun een effectieve en totale controle over hun bezittingen kon garanderen. Dit is de verklaring waarom de ontwikkeling van de maffia door het Risorgimento werd bevorderd.
De antimaffia
Het is niet mogelijk om het fenomeen Cosa nostra volledig te begrijpen zonder een verhandeling over de beweging die zich sinds het ontstaan van de maffia tegenover haar geplaatst heeft.
De antimaffiabeweging kan volgens drie criteria worden onderverdeeld:
Spontaan: voortkomend uit individueel initiatief, bijvoorbeeld Peppino Impastato, Libero Grassi en Pino Puglisi.
Georganiseerd: organisaties met het oogmerk om de maffia te bestrijden en een wettelijke structuur te scheppen, zoals de Fasci siciliani opgericht aan het einde van de 20e eeuw, het Centro di Documentazione Peppino Impastato, en organisaties als Sos impresa en Libera.
Van staatswege: bijvoorbeeld de pentiti-wetgeving, de Wet 41 bis over het strenge gevangenisregime, het oprichten van de Direzione investigativa antimafia (DIA) en de Direzione Distrettuale Antimafia (DDA). Maar de voorloper was echter de anti-maffiapool welke in de jaren zestig werd opgericht na een bloedige maffia oorlog. Deze pool van magistraten en onderzoeksrechters had maar een taak en dat was het bestrijden van de maffia.
Deze pool werd korte tijd stil gelegd en eind jaren zeventig weer opgericht na enkele excellente kadavers (vermoorde mensen met een hoge maatschappelijke functie). Deze pool onder leiding van Antonino Caponetto boekte vooral grote successen halverwege de jaren '80 van de hand van Giovanni Falcone en Paolo Borsellino. Deze twee werden de kopstukken in de strijd tegen de maffia. Door hun toedoen werd de maffia erkend als een georganiseerde criminele organisatie en konden maffiabazen voor het eerst veroordeeld worden voor moorden die ze niet eigenhandig hadden gepleegd, maar door de theorie van Buscetta (een kroongetuige, pentito) kon de Cupola aansprakelijk worden gesteld. Echter beide magistraten werden in 1992 vermoord waardoor toen pas de DIA enz werden ingevoerd.
Het fascistische tijdperk
De eerste aanvallen op de macht van de maffia kwamen van Benito Mussolini, die in 1925 Cesare Mori naar Sicilië zond met de opdracht om de maffia met alle middelen uit te roeien. Deze installeerde zich in Palermo op 22 oktober van dat jaar en verwierf al gauw de bijnaam Prefetto di ferro (de IJzeren prefect). Mori ging spijkerhard te keer tegen met name de kleine en middelmatige vis van Cosa nostra, gebruikmakend van de medewerking van de grootgrondbezitters en de kleinere bezitters van onroerend goed. Zonder aandacht voor rechtsbeginselen richtten de inspanningen van Mori zich vooral op het behalen van een consistent aantal veroordeelden dat hij aan de Duce kon rapporteren als bewijs van het succes van zijn operatie. Honderden en honderden mannen werden gearresteerd en veroordeeld tijdens korte rechtszaken, zoals de boss Don Vito Cascio Ferro die de cel inging ondanks totale afwezigheid van bewijs. Na enkele spectaculaire arrestaties van capo's voelden zelfs de topmensen van Cosa nostra zich niet meer veilig en kozen ze een uitweg
Toen de IJzeren prefect ettelijke connecties tussen vooraanstaande figuren van de fascistische partij en maffiose families ontdekte, werd hij gepromoveerd en ontheven van zijn taak. De grenzen van zijn handelen zou hij in opvolgende tijden leren kennen, toen hij tot senatore del regno (rijkssenator) werd benoemd voor zijn bestrijding van de maffia.
Onder andere, de brute buitenwettelijke middelen gebruikt door de politie in verschillende acties uitgevoerd om het fenomeen maffia uiteen te slaan, leidden portarono tot een vergroting van het wantrouwen van de bevolking tegen de staat, en dat wakkerde nou net een van de belangrijkste bestaansredenen van de maffia aan. Desondanks is het een feit dat Mori de eerste Italiaanse onderzoeker was die liet zien dat de maffia bestreden kon worden met een strijd zonder kwartier, zoals later Giovanni Falcone ook staande zou houden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren het de Amerikanen die Cosa nostra terug aan de macht hielpen op Sicilië. Verscheidene Italoamerikaanse bosses die in de VS in de cel zaten (waaronder Lucky Luciano en Vito Genovese), werden gecontacteerd door de CIA, en met de belofte van invrijheidstelling werden ze belast met het verzekeren van de geallieerde verovering van het eiland. Naast deze Amerikaanse maffiabazen werden ook Siciliaanse dons ingeschakeld, waaronder Vincenzo Di Carlo, Calogero Vizzini en Giuseppe Genco Russo.
1945-1975
Na de Tweede Wereldoorlog onderging de Siciliaanse samenleving een grondige gedaanteverwisseling. Het gewicht van de landbouw in de economie nam af ten faveure van andere sectoren zoals de handel en de dienstensector. In deze periode werd het overheidsbestuur op Sicilië de belangrijkste entiteit in de economie. Cosa nostra wist natuurlijk de vruchten te plukken van deze verandering en katapulteerde zichzelf naar de nieuwe belangrijkste sociale en economische sectoren. Om hierin te slagen, moest Cosa nostra nog meer dan voorheen de contacten met de politiek omhelzen, met name met de politici van de grootste partij in Italië en op Sicilië: de Democrazia Cristiana. Uit deze overeenkomst trok de maffia de winst (door oneerlijke aanbestedingen) uit het verwerven van opdrachten voor bouwkundige projecten voor de infrastructuur en voor de nieuwe wijken van de grote steden, door de inning van belasting voor rekening van de staat en voor het aannemen van personeel voor de verschillende staatsorganen. De DC als partij won erbij omdat Cosa nostra, door haar greep op haar territorium, in staat was om grote hoeveelheden stemmen te ronselen; de politici hadden individueel baat bij de grote sommen geld waarmee zij werden omgekocht. Het is dus logisch dat de staat tot aan het eind van de jaren '70, toen de situatie begon te veranderen, het bestaan van de maffia heeft ontkend.
Maffiaoorlog
Het overschakelen van de smokkel van sigaretten op de veel winstgevender drugshandel betekende een grote verandering in de structuur en methodes van Cosa Nostra. De traditionele bevelsstructuur verzwakte, en in 1978 barstte een onderlinge maffiaoorlog uit die ook de interne onderverdeling in families deed ontploffen - en dat was de belangrijkste noviteit!: deze oorlog bestond eigenlijk uit een campagne ter vernietiging en beschadiging van de andere rivaliserende facties door de Corleonesi, die er op deze wijze in slaagden om zich van een ongeëvenaarde dominante positie binnen Cosa nostra te verzekeren. De Corleonesi, wier exponenten op dat moment Luciano Liggio, toen in de gevangenis, Bernardo Provenzano en Toto Riina waren, waren een extreem meedogenloze groep, die om hun macht te demonstreren een reeks opmerkelijke moorden pleegden, waarbij ze alle overheidsdienaar's die een obstakel konden zijn uit de weg ruimden: zo stierf de generaal van de Carabinieri Carlo Alberto Dalla Chiesa, held van de strijd tegen het terrorisme, vermoord door de maffia in Palermo precies 100 dagen na zijn installatie. Ook vermoord werden Pio La Torre, Rocco Chinnici, Piersanti Mattarella, prefect van de regio Sicilië, Ninni Cassarà en vele anderen. In deze periode doken ook lokale filialen van Cosa nostra op in Lombardije, Latium en de Marche.
De maxiprocessi
De wreedheden begaan tijdens de maffiaoorlog in die jaren dreven echter ook enige maffiosi naar samenwerking met de overheid. Onder hen was maffiabaas Tommaso Buscetta, die in 1984 Giovanni Falcone voor de eerste maal ontmoette. Buscetta koos ervoor om deze magistraat te vertrouwen en begon te praten, waarmee hij brak met de Omerta. Met zijn onthullingen konden Falcone, Borsellino en hun team de beroemde maxiprocessi di Palermo opzetten waarin maar liefst 1400 personen werden aangeklaagd. Hiermee brachten zij de eerste harde klap toe aan Cosa nostra.
De aanval op de staat
Op dit eerste proces volgden nog verschillende andere. Het was een tijd van interne vergiftiging van de Italiaanse magistratuur en politiek, terwijl de maffia probeerde weer op te krabbelen: in het begin van de jaren '90 reorganiseerde de Corleonesi-clan dat wat over was gebleven van Cosa nostra en begon het een reeks terroristische aanslagen met de aanslag van de Via dei Georgofili in Florence en de bom in de pinacotheek van Milaan. De meest beruchte aanslagen waren echter de aanslag van Capaci en de aanslag van de Via d'Amelio bij welke Giovanni Falcone het leven liet, samen met zijn echtgenote Francesca en een deel van hun escorte. Zijn opvolger Paolo Borsellino werd enkele maanden later ook geliquideerd.
Het antwoord van de staat
Als gevolg van de aanslagen ontstond een reveil in de tot dan toe behoorlijk apathische Siciliaanse samenleving, dat geleid heeft tot een oppositie tegen de maffia. De angst, de omertà en de traditionele gedaante van Cosa nostra sembravano leken verdwenen voor het overgrote merendeel van de bevolking, die genoeg had van al het bloedverspillen. Op Sicilia werden in haast alle gemeentes, provinciehoofdsteden en in de regio de maffia vijandig gezinde progressieve politici gekozen die tot alles bereid waren om de maffia te bestrijden. Haast iedere dag en vrijwel overal werden lezingen gegeven over wettigheid en de burgerlijke vorming, waarin de plek van de onderwijzer werd ingenomen door tegen de maffia gekeerde rechters, officieren van justitie en ouders van slachtoffers. Daarbovenop kwam het militaire antwoord van de staat, die met de operatie Vespri Siciliani (Siciliaanse vespers) een goede 20.000 soldaten naar het eiland stuurden (van 25 juli 1992 tot 8 juli 1998) kwetsbare objecten zoals rechtbanken, woningen van officieren van justitie, luchthavens, havens enz. Een citaat van Francesco Forgione: "la Sicilia del dopo stragi somiglia più alla Colombia che non all'isola libera, aperta, gioiosamente mediterranea che abbiamo conosciuto da secoli" ("Het Sicilië van na de aanslagen lijkt meer op Colombia dan op het vrije, open, plezierig mediterrane eiland dat we al eeuwen kennen").
De taakvervulling van het leger, ondanks de verschillende kritieken dat hij het eiland gemilitariseerd zou hebben, was uitermate gunstig op het gebied van de plaatselijke veiligheid. De misdaad daalde behoorlijk en er vonden opnieuw enkele belangrijke arrestaties plaats, waaronder die van Toto Riina en Leoluca Bagarella. Daar komt nog bij dat de openbare aanklager Giancarlo Caselli naar Palermo kwam, op 15 januari 1993 dezelfde dag dat Riina gearresteerd werd. De inspanningen van het openbaar ministerie werden verhevigd, niet alleen dankzij de aanwezigheid van het leger, maar ook door het werk van de succesvolle Caselli. |